Op IDN is een artikel verschenen over een zaak waarin mr. Simcha Plas e mr. Jordi L’Homme bijstand verlenen aan een cliënt die verdacht wordt van mensensmokkel. Het artikel is te lezen via questo link. Hieronder treft u een samenvatting van dit artikel aan.
Tijdens zittingsdag 6 in de strafzaak tegen Walid hebben mr. Simcha Plas en mr. Jordi L’Homme hun pleidooi gehouden. De verdediging stelde dat Nederland geen rechtsmacht heeft over de tenlastegelegde feiten, dat het bewijs onvoldoende is, en dat de verdachte niet dezelfde persoon is als de vermeende ‘Walid’.
Feiten zouden volledig in Afrika hebben plaatsgevonden
Zij benadrukten dat rechtsmacht per afzonderlijk feit moet worden vastgesteld. Het OM heeft volgens hen alle beschuldigingen op één hoop gegooid, terwijl de feiten zich volledig in Afrika zouden hebben afgespeeld en geen concreet aanknopingspunt met Nederland hebben. De verdediging verwees daarbij naar de MH17-zaak, waarin iedere afzonderlijke aanklacht juridisch apart werd beoordeeld.
Ook wezen zij erop dat de verdachte in Ethiopië al is veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf, waarmee het beeld wordt weersproken dat mensensmokkel in deze zaak “anders onbestraft zou blijven”.
Onzekerheid over identiteit van de verdachte ‘Walid’
Daarnaast betoogde de verdediging dat de identiteit van de verdachte niet vaststaat: foto’s van ‘Walid’ circuleren al sinds 2019 op sociale media, waardoor herkenningen door getuigen beperkte waarde hebben. Het onderzoeksteam kon de identiteit bovendien niet bevestigen.
Met betrekking tot de Libische kampen benadrukten mr. Plas en mr. L’Homme dat Libische milities de volledige controle hadden, met wapens, voertuigen en toegang tot de stad. Buitenlandse smokkelaars konden daar slechts opereren onder hun toezicht. De verdachte zou volgens hen niet verbonden kunnen worden aan Kufra, en evenmin een leidinggevende rol hebben gehad in Garabulli of Bani Walid.
Ook het bewijs voor traffico di esseri umani, afpersing en deelname aan een criminele organisatie acht de verdediging onvoldoende. Getuigenverklaringen verschillen sterk, zijn mogelijk beïnvloed door sociale media en geven geen consistent beeld van de rol van de verdachte.
Tot slot stelde de verdediging dat een maximale Nederlandse straf zou leiden tot een disproportionele dubbele bestraffing, gezien de resterende 15 jaar van de Ethiopische veroordeling.
Conclusie van de verdediging: wat in Libië en op zee is gebeurd, is ernstig en schrijnend, maar vormt geen juridisch aanknopingspunt voor Nederlandse rechtsmacht. Het recht kent grenzen — juist om te voorkomen dat één persoon buitenproportioneel wordt gestraft.
De rechtbank doet naar verwachting op 27 januari 2026 uitspraak.